St-Elisabeth-huis

Welke geschiedenis schuilt er achter het hekken aan de Rabotstraat 9?

Een meer dan boeiende geschiedenis. Zeker wanneer men het resultaat van het bouwhistorisch onderzoek naleest zoals het te boek werd gesteld in de uitgave 2 van het ‘huizenonderzoek in Gent’. De opstellers en onderzoekers hebben zich niet enkel beperkt tot de bouwkundige evolutie van het pand. Onderzoek van talrijke archiefstukken rendeerde in een gedetailleerd overzicht van de verschillende bewoners, waarbij bovendien de verschillende bestemmingen van het gebouw aan het licht kwamen en dit door de eeuwen heen. De bewoners resideerden er tussen de begijnen en de prinsen. In een vogelvlucht geschetst vanaf de 15°eeuw: de huidenvetterij van de huidevettersdeken Van der Zwalmen, het advocatenkantoor De Mey, het advocatenkantoor Van de Velde, de licentiaat in de medicijnen en familie Philippe van Breugel, de betwiste politicus Pycke Pieter François, refugium van de St-Adriaansabdij van Geraardsbergen, citoyen raadsheer Massez Louis-Joseph, dominicanenpastorie van het begijnhof en parochiepastorie.

Interessant blijken ook de terug gevonden ‘staten van goed’. Zo onder meer krijgen we op deze wijze de kans om een blik te werpen op de titels voorhanden in de bibliotheek van Philippe van Breugel. Het lijkblazoen van Gisbertus Philippus van Breugel (1759) hangt nog in de St-Michielskerk. Dat van Breugel een drukke praktijk had mag blijken uit het feit dat ongeveer 750 personen nog consultatierekeningen verschuldigd waren op het ogenblik van zijn overlijden. Toen zijn echtgenote overleed in 1743 werd een nauwkeurige boedelbeschrijving opgesteld van het woonhuis. Met deze boedelbeschrijving in de hand kan men het pand van kamer tot kamer doorlopen en aldus een idee krijgen vanonder meer de aankleding van het interieur.

Toen de woning verkocht werd aan de abt van de St-Adriaansabdij, werd niet alleen het gebouw verkocht: ‘midtsgaeders de schilderyen ende boiseryen soo in d’achtersalette als andere plaetsen...ten voorhoofde op den beggynendriesch van achter commende met eenen grooten hof jegens de erfve van de eerw. paters discalsen aen d’een syde ten voorhoofde streckende jegens het waeter ende ter andere waer huyse competerenden beggynhove van Sinte Elisabeth’.

Leuk om te weten is bijvoorbeeld ook dat Pycke Pieter François het ontwerp van de Recollettenbrug tekende. Het was de periode waarin de Coupure te Gent werd uitgegraven. Dat Pycke een uitgebreide boekencollectie bezat blijkt uit de cataloog die daaromtrent werd opgesteld na zijn overlijden:

‘Catalogue d’une très-belle collection des livres (la plupart proprement reliés en veau) delaissés par feu Monsieur Pierre-François Pycke d’Idegehem (en son vivant) premier conseiller-pensionnaire de la vile de Gand’.

Even interessant is het onderzoek dat gevoerd werd naar Massez, achtereenvolgens advocaat in de Raad van Vlaanderen en auditeur van de Rekenkamer te Brussel. Het is ook Massez die nog een aantal veranderingen aan het gebouw liet uitvoeren waarbij het zowat zijn definitieve en huidige vorm kreeg.

Het spreekt voor zich dat dit historisch gebouw, sinds 1995 als monument beschermd, tal van bouwkundige elementen bevat die verwijzen naar een bouwtrant gaande van de 15° tot de 19° eeuw.

Tot op heden werd 80 % van het dak gerestaureerd en de LXIV-tuingevel. Hiermee ging een budget gepaard van € 50.000. De volledige restauratiekost werd geraamd op € 370.000.

Het plan bestaat erin dat het gebouw in zijn oorspronkelijke staat zou hersteld worden en aldus onderdak zou kunnen bieden aan activiteiten in eerste instantie ten voordele van de verenigingen in de begijnhofbuurt.

Tevens is gepland om er het bezoekerscentrum voor het begijnhof in onder te brengen.

john strouwen

Addendum Begijnhofgeschiedenis

Laatste ontdekkingen wat betreft het Elisabeth-Huis. Wie had ooit gedacht dat wij nog zover in de tijd zouden kunnen terugkeren….

Onlangs vonden wij in het Gentse Stadsarchief de tot nu toe oudste vermelding van het pand aan de Rabotstraat nr. 9, tegenwoordig bekend als ‘Elisabeth-Huis’.

Dankzij het onderzoek van Erik Verroken over zijn mogelijke voorouders in en rond de Burgstraat, Koolsteeg en het Sint-Elisabethplein in Gent, kunnen wij proberen om naar de mogelijke functie van de eerste kern van het Elisabeth-Huis terug te klimmen.

In april 1393 verkochten Jan van Orchies en zijn echtgenote Marie hun huis aan den driesch up de gracht van het Sint-Elisabeth begijnhof aan Philip De Mey en zijn echtgenote Aechte [Agnes] Mulaerds, die zouden binnen een jaar eigenaars worden.

Ze zouden ook elk jaar de reeds bestaande rente van 3 pont en 2 scellinc parisis aan het nieuw klooster aan den Groenen Briel betalen.

Wij kenden reeds de rentenbetalers sedert het ontstaan van een rentenboek in 1937, nu ontmoeten wij niet als de eerste ten minste een vroegere eigenaar en vermoedelijk bewoner.

Jan van Orchies kwam heel waarschijnlijk van Orchies over de grens in Noord Frankrijk. In het jaar 1402 regelde hij samen met wijntaverniers een geschil met de deken van de wijncroeders. Mogelijk was hij dus een wijnhandelaar en/of tavernier. Waar hij toen woonde weten wij niet, wellicht woonde hij tien jaar vroeger samen met zijn vrouw Marie in hun huis aan den Driesch. Diende de wijnkelder al voor 1393 voor de bevoorrading van een taverne in het huis zelf? Was er enkel spraak van een pakhuis? Wie weet…

Wijnhandelaar Philips de Mey deed zijn intrede in het wijnambacht in 1393. Zijn naam kenden wij reeds als eerste betaler van de 13 pont en 2 scellinc parisis rente aan het klooster van Groenenbriel. Ook zijn opvolger in het huis, Willem de Wielmaker alias de Bleu, was een handelaar en een buurman.

Philips de Mey, zoon van Jan, huwde drie keren: eerst met Aechte Mulaerds, en kreeg een zoon. In 1410 erfde hij samen met zijn tweede Aechte vande Sipe. Twee jaren later kocht hij het huis De Drie Mannekin aan de Hoogpoort en werd wijntavernier: in die tijd betekende dat ook een bemiddelaarfunktie. Waarschijnlijk verhuisde hij toen van het huis aan de Driesch naar de Hoogpoort en verhuurde zijn huis en/of taverne/pakhuis.

In 1431 mocht hij samen met zijn derde vrouw, het dienstmeisje Lisbette van den Driessche fa Pauwels, in een loove gaan wonen in het neringhuis van de scheerders bij de Nieuwebrugghe.

Tussentijd tegen het einde van 1419 was Philips De Mey textielhandelaar geworden (lijnwaad, wollen laken en zwart laken). Hij had ook zijn eigendom aan de Driesch verkocht aan Willem de Bleu alias de Wielmaker. Wij hebben geen verkoopsakte gevonden, wel in verband met het huis in de Burgstraat dat Willems in hetzelfde jaar verkocht.

Of hij ook een wijntavernier was blijft een raadsel, zeker verkocht hij nog in 1424 rogge aan Philips De Mey.

Wat later gebeurde blijft nog onduidelijk. Zeker is dat het huidige ‘Elisabeth-Huis’ ook iets te maken heeft met wijn…denk maar aan de Cuvée Elisabeth, als fondswerving-product

Maria Negroni