't Begijnhofklokske luidt
ach, lieflijk is 't om horen
hoe 't neerstig belt en bidt
"kom bin', kom bin' kom bin' "
Guido Gezelle, 28 september 1896
klein gedichtje zonder titel
Au loin, le Béguinage avec ses clochers noirs,
Avec son rouge enclos, ses toits d'ardoises bleues
Reflétant tout le ciel comme de grands miroirs,
S'étend dans la verdure et la paix des banlieues.
Les pignons dentelés étagent leurs gradins
Par où monte le Rêve aux lointains qui brunissent,
Et des branches parfois, sur le mur des jardins,
Ont le geste très doux des prêtres qui bénissent.
Georges Rodenbach
Kwezelken kwam in haar deurken staan,
Zag een koppeltje wandelen gaan;
Kwezelken sloot het deurken weer
En prevelde, prevelde keer op keer:
'Ik wil niet, Heer, die wereld zien
Als ik uw hemeltje maar verdien,
Ben ik tevree! Kyrie!'
Kwezelken tuurde door 't vensterraam,
Zag veel meisjes en jongens saam.
Kwezelken trok van 't raampje heen
En prevelde, prevelde gansch alleen:
'Ik wil niet, Heer, die wereld zien!
Als ik Uw hemeltje maar verdien,
Ben ik tevree! Kyrie!'
Kwezelken wandelde op de vest,
Vond langs 't water een vogelnest
Vol jongskens, piepend in luid diskant
En moerken en vaarken trouw op den rand;
Toen zei de kwezel: 'Is 't dat, o Heer,
Dat de paartjes zoeken…. en niets, niets meer?
Vergeef het, Heer! Dan doe ik meê
En zing niet langer Kyrie!'
Alfons Cools.
'Als op dit hof in vroeger tijd,
Voor twee maal honderd jaren,
Een bloem aan God werd toegewijd,
Uit Amstels maagdenscharen,
Dan klonk niet zelden op het feest
Voor God en alle braven,
De stem eens dichters, groot van geest
En wijdberoemd van gaven.
Dat was de stem van Vondel-zelf,
Den eedlen Djchterkoning,
Wiens zang weêrklonk in 't kerkgewelf
En in de kleinste woning;
Hij die de Serafim bezong
En teedre Cherubjjntjes, –
Hem vloeiden liedren van de tong
Voor klopjens en begijntjes.'
Begijnhof AMSTERDAM
Bij de professie van Anna Lievens in het begijnhof te Aalst in 1820 zwaaide men het wierookvat
naar haar persoon omdat ze na veel twijfels toch haar definitieve keuze voor een devoot leven
had gemaakt. Ze was zeker niet onbemiddeld, want niet elke bewoonster van het Sint-
Elisabethbegijnhof werd met een 'affiche' vereerd: Den Waeren weg tot het tydelyk en
eeuwig geluk, Gezogt door de deugd- en rust-zoekende Joufrouw Anna Lievens,
Doende haere Profesie in het Zeden-geurig Begyn-Hof der stad Aelst, op den tweeden
dag van Mey 1820.
Anna Lievens was niet erg geneigd om tot de huwelijke staat toe te treden, maar evenmin om als
ongehuwde jonge dochter door het leven te gaan. Het was echter moeilijk om een keuze te
maken. Ze wilde God op een of andere manier dienen, maar aarzelde om als kloosterzuster ergens
in haar streek binnen te treden. Uiteindelijk vielen alle twijfels van haar af:
Den huwelyken Staet waer toe er veel u vroegen,
En hadde in uw hert het minste geen genoegen;
Gy had van jongs af aen de zuyverheyd bemint,
Doch tot den Kwezels-tip en waert gy niet gezint.
Gy dagt op Velsicqs-sticht maer daer met zotte leeven,
En stont u niet wel aen, 't gedagt dat deed u beeven,
'T Zwart-zusterdom, of wel te weegen Gasthuys-non,
in uw rust-zoekend hert ook geen plaetse von.
Gy waerd dus zonder raed! Verslonden in gepeyzen
Riept gy met David: Heer, wil my den weg aanwyzen
Die ik doorwand'len moet. En zie een Hemels-licht
Brengt Begga's vredes Hof u stadig in 't gezigt.
Dit voorwerp treft uw hert: – Begyntje wil ik leeven,
Naer het Begynhof will en zal ik my begeeven.
Daer zal ik zyn in rust, van huw'lyks-lasten vry,
Met niemand niet gebrast, en teenemael aen my,
Daer kan ik dienen GOD, en met de menschen spreeken,
Daer mag ik leeven streng, en ook een potje breeken:
'k Ben meester in myn huys, en doen op mynen tyd
De plichten die door GOD den mensch zyn opgeleyt.
Voor Anna Lievens was dit nog maar de eerste stap in haar vroom begijnenleven. De weg naar
het eeuwig leven was nog lang en moeilijk wegens de talrijke bekoringen die om de hoek
loerden. Als bruid van Christus was haar 'meester-stuk' nog lang niet voltooid en ze zou van
dan af nog veel moeilijkheden moeten overwinnen, o.a. het prikkelen des vleesch. In het lofdicht
waarschuwde men haar voor alle duivelse listen en lusten en raadde men haar aan de weireld te
haeten en via het bidden tot God in 's Hemels Woon te kunnen treden.
Na het lofdicht volgt nog een lied en het volledig drukwerk is wegens de moeder van de
bruyd uyt vreugd geschonken ter gelegenheid van haar professie.
Liedeken
Stemme: Avec les Jeux dans le Village
Vaerwel gewoel van 't aerdsche leeven,
Ons jonge BRUYD verlaet uw schyn
Om zich aen d'eenzaemheyd te geeven
In 's Hemels Voor-hof Begga's-pleyn:
Daer zal zy steeds de deugd vereeren
Die ons op aerd gelukkig maekt,
En ook met haeren GOD verkeeren
die voor het heyl der menschen waekt.
Gelukkig Joufrouw, Anna Lieven,
Die zulk een keus nu hebt gedaen,
Laet 's Hemels min uw hert doorgrieven,
Kleeft die alleen voor eeuwig aen:
Wil nooyt uw voeten agter trekken,
Bevlek nooyt Begga 's reyne kleed,
Schoon u de weireld mogt begekken,
Buyten uw Hof vind gy slechts leed.
Sa Vrienden; hier te saêm gekomen,
Op de gezondheyd van de BRUYD,
Den Beker in de hand genomen;
Drinkt 't Druyve-vocht op eenmael uyt,
En zoo wy eens uw Jubel-jaeren
Beleeven mogen, met wat vlyt.
Hoor g'ons dan weer onz' yvenschen paeren
Tot uw geluk in eeuwigheyd.
Marie Carolien Van Damme uit Wieze was een van de tientallen begijntjes die aan de
heropbloei meewerkten. In 1828 vierde men er haar professie en ter gelegenheid van dit feit
werd ze op 5 augustus gevierd en met lof overladen onder de zinspreuk Amor et humilitas vincit
iram. In het 'Rijmdicht' bewierookt men het vrouwgeslachl als heldinnen van moed, die boven
mannenkracht, al door de hulp van Gocl heel legers overwonnen. Hoewel de lofbetuigingen mild
werden rondgestrooid, kreeg ze bij haar professie ook talrijke goede wenken mee, nuttig om
aan de verleiding van de doortrapte magten te weerstaan. Het 'Rijmdicht' was doorspekt van
raadgevingen om de jonge dochter te behoeden voor alle kwaad op deze wereld:
Van Damme is uw naam, die komt mij hier te pas,
Blijft altijd van den dam verr' van den water-plas,
Op dat d'onstuim'ge zee U niet slokt in haar baren,
Al spreek ik van Neptun; 'k wil zeggen Venus-scharen:
Zijt altijd arm van geest, bemind de zuiverheid,
En toond .uw Overste altijd gehoorzaamheid.
Komt gij door een slegt weer uw kleed eens te bevlekken
En wagt doch bid ik niet, wascht seffens uit de vlekken;
Want als gij na de wet en na de regel doet,
Dan prijs ik inderdaad uw wil en voorstel goed.
In het lied dat men eveneens aan Marie Carolien Van Damme opdroeg, vormen de beginletters
van de versregels haar naam:
Liedeken
Mijn zangster staat eens regt helpt mij den lof verkonden,
AI is mijn stem wat slegt men roept met volle monden:
Roemrugtige VAN DAM die hier in Beggas-hof
In Aalst die schoone stad ontvangen is godlof.
Ca vrienden al gelijk laat ons de Bruid vercieren,
Als zij vol deugden rijk van daag gaat zegenvieren,
Roept al vivat Car'lien, jufvrouw Marie VAN DAM,
Ons croost, ons ceure, ons nigt, de fleur van g 'heel den stam.
Let op dees jonge spruit zij teld zeventien jaren
Is als een Christi-bruid in de profes gevaren,
Een spiegel van de deugd was zij van jongs af aan,
Niemand en heeft van haar een slegte maar ontfaan.
Vijf Ougstmaand is den dag die wij vieren op heden,
Als zij in het gezag is na de kerk getreden,
Naar reden en manier de pastors les hoord aan,
Die zij met veel plaisier alles heeft toegestaan,
Amen, wij scheiden uit haar veel geluk te wenschen,
Met onze jonge bruid aan alle goede menschen,
Maar eerst noch een santé eer wij scheiden te gaar,
En wenschen daar elk mé het hemelrijk hier naar.
In hetzelfde jaar dat Marie Carolien Van Damme werd geprofest in het begijnhof van Aalst werd in Hamme-Zogge op 29 februari Anna Catharina Raemdonck geboren. Ze was de dochter van Joannes en van Maria Joanna Landuyt. Ze zegde gedeeltelijk vaarwel aan het wereldse leven en vestigde zich in het begijnhof van Dendermonde. Volgens de traditie werd ze ook met een 'Lofdicht' vereerd toen ze op 21
november 1853 haer plegtig profes deed in het begijnhof van Dendermonde. Het lofdicht verschilt maar heel weinig van de analoge drukwerken die men voor dergelijke gelegenheden publiceerde. Deze eenbladdruk werd uitgegeven bij J. Ducaju Zoon in
Dendermonde op een formaat 59 x 46 cm. De kenspreuk voor het lofdicht werd ontleend aan psalm XVIII, vers 2: Mijn God is mijn beschermer; in Hem zal ik hopen. In de traditionele bombastische stijl werd haar alle lof toegestuurd toen ze in Begga 's hof .werd geprofest. Ze was trouwens niet de enige in de familie die voor een devoot leven koos.
Catharina, de glans van al de wereld zorgen
Vervolgde uwe ziel in schyn'bre vreugd verborgen,
Door Godes magt'ge hand van kindsheid steeds geleid,
Ontvlugtte gy haer list door deugd en wys beleid;
Door 't zuster voorbeeld hier op aerde aengedreven,
Gy wildet voor uw God in Begga's hof steeds leven,
Bevreesd dat wereld glans mogt dooven uwe deugd
Door haren valschen gloor; verliet zy vol van vreugd
Al wat de wereld biedt dien zich aen haer zal hechten,
Om hier in d'eenigheid den duivel te bevechten.
Biddende begijnhofbloemen
'k hoor uw bijen gaarne zoemen,
Zwermers om uw vrome kroon.
'k Zie uw steeltjes gaarne beven,
In de winden van het leven
Vluchtend, vrezend het vertoon.
Uw tuintjes hebben deuren.
Uw opgesloten geuren
Zingen nooit hun eigen lof.
't Zijn geen loze hartendiefjes,
Het zijn roosjes, madeliefjes,
Die de roem maken van uw hof.
Moest een vlinder daar verschijnen,
Welke ramp en welke pijnen,
Zou hij daar niet groeien doen ?
Men zou van niets anders spreken,
Hem verwensen bij het preken,
Bij het biechten, in 't sermoen.
Maar begijntjes zijn ook bloemen.
Als zij wijken voor het roemen,
Als zij schrikken voor een grap,
Als ik zie hun wangen blozen,
Denk ik aan begijnhofrozen
In 't smetloos linnen van hun kap.
Edmond Boonen
Mon béguinage déserté
Pleure les murs de son enceinte.
Abandonné, désaffecté,
Il vit dans la paix et la crainte.
Depuis qu'on a volé sa porte,
La blanche abeille au corset noir,
N'entre plus dans la ruche morte
Portant le miel de son espoir.
Les fleurs autour du béguinage
Semblent pleurer les saintes soeurs,
Qui sans sermon, ni badinage,
Les visitaient avec douceur.
Et la ruche dorée et vide,
Ou meurt la cire des beaux jours,
N'est plus qu'un autel impavide
Ou vacille un instant d'amour!
Edmond Boonen
Mijn oud begijnhof, 0! betreurt
d'eens warm omsingelende muren...
bloot, blak, verlaten, duf omgeurd
van vree, die zerp in vrees verzuurde.
Na 't schendig roven van de poorte
geen witzwart bijtje meer verschijnt er
nectar der hoop aanvoerend... Moord der
ontluistering... steen slechts kwijnt er!
De bloemen omheen 't dode hof
in tranen treuren bij 't ontberen
der lieve hand, der ogen lof
wier streling was hun zoetst begeren
De strogoudkorf bergt zwarte leegte
vermufte was van beter tijd...
Ontmanteld outer! Maar nog zweeft er
ijl liefdelicht naar eeuwigheid !
F.V.
Wanneer ik schuchter binnentreed
door d'oude poort voel ik en weet
meteen dat dit het paradijs
van vroomheid is en diepe peis
de wind zingt door de kruin der linden
een vroom kantiek vol pieteit.
de crocus bloeit en witte winde
als sterren in het grastapijt.
een merel slaat zijn wonder lied.
een duiver roekoet heen en weer.
vanuit een kleine deurnis ziet
sint rochus lachend op dit neer.
en langs een zonbeschenen hoek
zie ik een oud begijntje gaan,
devoot, met een getijdenboek
waarin miniaturen staan.
Lode Lichte
haast onhoorbaar maar gestadig
klopt het hart van deze stad.
wondervol is 't en genadig
als het ruisen van een blad.
als de zang van nachtegalen
in de zachte zomernacht,
als het spel der zonnestralen
op het water van een gracht.
dagen gaan en jaren komen
op de maat van vreugd' en smart,
tot hier d'eeuwen zich verdromen
in het kloppen van dit hart.
Lode Lichte
Hoe vroom en stil is daar het leven
wanneer ik dwaal door t' witte stedeken
de frisse lentezon me zachtjes kust.
't Is alsof de tijd is blijven steken
in 't ver verleden vol peis en rust.
In alle eenvoud en toch voldaan
in zang en gebeden opgegaan,
waant zich 't zusterken begijn,
zo dicht bij God te zijn.
Martin Sackx, 26 april 2000
Groot-Begijnhof Sint-Amandsberg
In de begijnenpoëzie is ons het volgend Antwerps begijnenliedje uit de 18e eeuw overgeleverd.
Uit L.J.M. Philippen, Onze Begijntjes, p. 107-110:
Liedeken.
Refrein:
Hoe zoet is 't beggijntiens leeven niet.
Vivat dan alle Beggas kinderen
Hoe zoet is 't beggijntiens leeven niet.
Jae men hun altijd vrolijk ziet.
1.
Jae met regt wij ons verblijden
Die hier woon en op dit hof
W'hebben daer al onze tijden
Die men besteed tot Gods eer en lof.
2.
Tijd van bidden ende lezen
Tijd van te zijn in onze kerk
Tijd om 't saemen vrolijk te wezen
Tijd om te zijn ook aan ons werk
3.
't Kloksken komt ons 's morgens wekken
Dan staen w'op uyt bed terstond ;
Tot Gods tempel wij vertrekken
Ten waer men wel luijaerds vond
4.
Naer de kerk men drinkt een theken
Of een tas caffie twee of drij
Is het koud het vuerken word ontsteken
En men zit er met ons neusken bij.
5.
Wij ons dan tot 't werk begeven
Want dat ook zeer zalig is.
Wij doen 't geeme, 't is ons leven
Mits het ons voordeelig is.
6.
Onder 't werken wij God bidden
En dan zingt men weer een lied
Men brengt wat gespreek in 't midden
En zoo kennen wij geen verdriet.
7.
's Middags eeten wij ons potie
Wel gekokt naar onzen smaek
Men maekt groot of kleyn commotie
Al zoo 't lust naer ons vermaek.
8.
Wilt gij 't eeten laeten teiren
Men gaet wel een hofken rond
en men gaet dan weer al geiren
aen ons werk met vleyt terstond.
9.
In de stad wij niet veelloopen
Want dat zou ons zelfs misstaen
ten zij wij iet moeten koopen
of eens ergens moeten gaen.
10.
Voorders ontrent d'avond tijden
Wij ter kerke wederom gaen
Onz' gebekens en getijden
hebben wij alsdan voldaen.
11.
Wij gaen savonds vrolijk eeten
En daer naer men nog wat klapt
En zoo bijna zonder weeten
is ons g'heel den dag ontsnapt.
12.
Voorts daer zijn veel vreugde dagen
Dat wij alzoo vroolijk zijn
Dan wij lachen met behaegen
Drinken somtijds een glasken wijn.
13.
Dan een feestien dan een professie
Dan verjaardag, dan jubilé
Dan patroonsdag, dan processie
Alles brengt een feestien mé.
14.
Susters wij den smaek genieten
Van het zoet van onzen staet
Niemand kan het hier verdrieten
Mits het bij ons zoo wel gaet.
15.
Laet ons God dan danken geven
Voor het weldaed ons gedaeri
En in deugd en vreugd beleven
Den staet door ons aengegaen.
Leliekrans gevlochten voor de welbedachte en godminnende Juffrouw Natalia Uyttendaele van
Schoonaarde-Wichelen; doende haar plechtige geloften als beggyntje in het vermaerd
beggynhof te Dendermonde op 4 September het jaer als zy vol van yver Jesu alleen
voor echten bruydegom verkiest.
Natalia, zie hier de feestdag,
Waerop uw ziele zegepraelt
Op vleesch en wereld en op afgrond,
En God u met zyn glans bestraelt.
De werel ... maer ik hoor u zuchten!
Want gy, gy hebt haer ook gekend,
Met haer kortstondige vermaken
En met haer eindelooze ellend.
Gy hebt de leêgheid ondervonden
Die ze in den boezem achterlaet ;
Gy hebt den geesel hooren klaetren
Waermeê zy hare kindren slaet.
Maer God had met u medelyden :
Zyn stem daelde uit den Hemel neêr.
Toen woelde 't in uw ziel niet langer;
Toen spraekt gy : 'k volg U op, o Heer!
Ja, volg hem op in al zyn lyden
En in al zyn weldadigheid.
Die Jesus volgt wordt met de vleuglen
Van zyn genâ zacht overspreid.
Ja, volg hem, die u heeft geschapen,
Die voor u leed, die voor u streed.
Zy wandelt in geen duisternissen,
Die in zyn heilig voetspoor treedt.
De wereld heeft voor haer geen wellust,
Het dartel vleesch geen prikkel meer ;
Zy treedt den helschen draek op 't harte,
En zingt een lied aen God den Heer.
Bloei in 't begynhof als een lelie,
Met paerlen van Gods dauw besproeid,
Die 't dal doorbalsemt, en met geuren
Den matten wandelaer omvloeit.
En dan, als eens het uer zal kleppen,
Waerop de Bruidegom u roept,
Waerop er rond uw blyde sterfkoets
Een rei van wachtende Englen groept ;
Dan, als de lelie van den steel valt,
Wordt zy door 's Scheppers vaderhand
In d'eeuwgen hof met al haer geuren
In 't lachend Paradys verplant.'